niderlandzko » niemiecki

uit·schei·den1 <scheidde uit, h. uitgescheiden> [œytsxɛidə(n)] CZ. cz. przech. (afzonderen; afscheiden)

ver·schei·den·heid <verscheiden|heden> [vərsxɛidənhɛit] RZ. r.ż.

1. verscheidenheid (verschil):

2. verscheidenheid (verzameling van verschillende eenheden):

Vielfalt r.ż.

3. verscheidenheid (zaken van verschillende aard) l.mn.:

Verschiedene(s) r.n. kein l.mn.

schei·den2 <scheidde, i. gescheiden> [sxɛidə(n)] CZ. cz. nieprzech.

3. scheiden (zich losmaken):

af·schei·den <scheidde af, h. afgescheiden> [ɑfsxɛidə(n)] CZ. cz. przech.

2. afscheiden (ruimte, oppervlakte):

3. afscheiden (hars, melk, speeksel enz. produceren):

ge·schei·den [ɣəsxɛidə(n)] PRZYM.

2. gescheiden (niet meer gehuwd):

be·schei·den <bescheiden, bescheidener, bescheidenst> [bəsxɛidə(n)] PRZYM.

1. bescheiden (niet aanmatigend):

ver·schei·den1 [vərsxɛidə(n)] PRZYM.

on·be·schei·den [ɔmbəsxɛidə(n)] PRZYM.

on·der·schei·den2 <onderscheidde, h. onderscheiden> [ɔndərsxɛidə(n)] CZ. cz. przech.

3. onderscheiden (orde, decoratie verlenen):

hei·den·dom [hɛidəndɔm] RZ. r.n. geen l.mn.


Interfejs: Deutsch | English | Español | Italiano | Polski